Over Bram (Abraham) Dees (1899 – 1966) is na de Tweede Wereldoorlog veel geschreven, onder meer in dagboeken, rapportages en interviews van de overheid. Hij gold als een veelzijdige en praktische persoonlijkheid, met groot organisatietalent en een sterk ontwikkeld gevoel voor verantwoordelijkheid. Ook was hij een man van principes en geloof, van rede. En hij genoot vertrouwen; zelfs bij vertegenwoordigers van de Duitse bezetter. Met al deze eigenschappen bij elkaar speelde hij een enorm belangrijke rol in Zeeuws-Vlaanderen tijdens de oorlog.

Toen de oorlog begon, zette Bram Dees zijn werk aanvankelijk gewoon voort. Hij was textielhandelaar, vader van zeven kinderen en actief binnen de kerk. Hij was onder andere lid van de kerkenraad. Zijn eerste grote gewetensconflict en de aanzet tot al zijn activiteiten in de oorlog begon met zijn telefoonaansluiting. Bram Dees had die namelijk wat in die tijd erg uitzonderlijk was. De PTT vroeg al haar abonnees welke burgers van Joodse komaf gebruikmaakten van de telefoon. Dat zulke informatie de bezetter bij vervolging zou kunnen helpen, besefte Bram Dees heel goed. Hij zag dit als moreel problematisch en als verraad aan de Joodse bevolking. Hij weigerde.

[afbeelding 1: brief PTT aan aangeslotenen. Onderschrift:
Het algemene bericht aan de mensen met een telefoonaansluiting.}

[Afbeelding 2: Het antwoord van de PTT aan Bram Dees na weigering]

Ook een tweede incident maakte dat hij in het verzet rolde. Al vóór de oorlog was Bram Dees op meerdere terreinen maatschappelijk actief. Zo was hij betrokken bij protestants jongerenwerk (de Knapenvereniging) en had hij verschillende bestuurlijke en organisatorische functies, onder meer op het gebied van ziekenzorg, onderwijs en binnen een brancheorganisatie. In 1941, toen de Arbeidsinzet werd ingevoerd en werken in Duitsland verplicht werd, vroegen twee jonge mannen hem om advies. Aanvankelijk gaf Dees aan dat zij zelf moesten beslissen; het was immers hun risico. Maar zelf zou hij de bezetter nooit helpen, gaf hij aan. Met dit advies doken de jongemannen onder. Maar deze situatie zette Bram Dees aan het denken. Hij vroeg zich af of het wel juist was om anderen een risicovol besluit te laten nemen zonder zelf verantwoordelijkheid te dragen.

Het Arbeitsinzet-incident leidde tot actie. Samen met timmerman Marien Galle en het hoofd van de marechaussee, Mouer, zette Bram Dees een netwerk op voor hulp aan onderduikers. Daarbij ging het onder meer om het zoeken van onderduikadressen, vaak bij boeren, en het regelen van voedselbonnen. Op Zaamslag bevonden zich naar schatting zestig tot zeventig onderduikers. Bram Dees en zijn medestanders probeerden deze hulp zo zorgvuldig mogelijk te organiseren, ondanks de grote gevaren.

Bram Dees grote kracht bij deze activiteiten was dat hij bij een hoop mensen veel vertrouwen genoot. Onderduikhulp was per definitie teamwerk en hij kon niet overal persoonlijk aanwezig zijn. Hij delegeerde taken en werkte met koeriers die duidelijke instructies kregen. Volgens latere bronnen vervulde hij hierbij een coördinerende rol binnen de hulp aan onderduikers in de regio. Zijn kracht om te verbinden en organiseren waren enorm belangrijk voor Zaamslag.

Vertrouwen kwam ook vanuit onverwachte hoek. Bram Dees bezocht dezelfde kerk als de door de NSB benoemde burgemeester van Zaamslag, die hij al langere tijd kende. Toen deze burgemeester klaagde over personeelstekort op het gemeentehuis, bemiddelde Bram Dees bij het vinden van medewerkers. Zijn zoon Kees was een van hen, evenals anderen die, naast hun werk, contacten met het verzet onderhielden. Zo kreeg Bram Dees goed zicht op wat er binnen het gemeentehuis speelde. Zeker niet onbelangrijk.

Het vertrouwen was helaas niet onbegrensd. Toen Bram Dees werd gevraagd zich aan te sluiten bij een landelijke verzetsorganisatie, weigerde hij aanvankelijk. De leiding zou in handen komen van een predikant uit Axel, later burgemeester, van wie hij meende dat deze in de gegeven omstandigheden onvoldoende harde beslissingen zou kunnen nemen. Verzet vereiste volgens Bram Dees het vermogen om onder grote druk riskante keuzes te maken.

De verhouding met het gemeentebestuur kwam verder onder spanning te staan na de overval op het bevolkingsregister in april 1944. Bram Dees wist dat het slot van de brandkast beschadigd was, maar ook dat dit hersteld kon worden. Verzetsman Roelf Looij, ook bekend als Jan Knok, verkende de situatie en besloot de kraak uit te voeren toen dat mogelijk bleek. Na afloop moest Roelf Looij zich tijdelijk schuilhouden vanwege Duitse patrouilles, maar hij wist ongemerkt te ontkomen. Hierover staat een blog op Zaamslag geleefd.

De dagen erna waren gespannen. Omdat Roelf Looij vooraf bij Bram Dees was geweest, volgde een speurhond van de marechaussee vanaf het dorpsplein de Axelsestraat in. Een alerte marechaussee leidde de hond echter een zijstraattje in, waardoor het spoor doodliep. Op instructie van de burgemeester werd vervolgens gezocht naar Bram Dees’ oudste zoon Kees, die inmiddels was ondergedoken. Dit markeerde het begin van een blijvende frictie.

In diezelfde periode riep de gemeente Zaamslag inwoners op om als ‘vrijwilligers’ bomen te planten. Ook Bram Dees ontving een oproep. Werk verrichten voor een Duitsgezind bestuur dat tegelijkertijd zijn zoon zocht, botste met zijn principes. De burgemeester hield echter vast aan de oproep. Op advies van een verzetsvriend besloot Bram Dees gehoor te geven: als hij zou onderduiken of gearresteerd werd, was hij moeilijk te vervangen. Uiteindelijk liep dit met een sisser af. Toen Bram Dees zich meldde, bleken er al voldoende mensen te zijn en verrichtte hij vervangende werkzaamheden in de werkplaats van Marien Galle.

Ook rond Dolle Dinsdag en bij de bevrijding speelde Bram Dees een rol. Begin september 1944 trok het Duitse leger zich terug en men verwachtte in Zeeuws-Vlaanderen een snelle bevrijding. Leden van de Ordedienst sloten NSB’ers op en onder de bevolking kwam na vier jaar bezetting een volksgericht tot uitbarsting, onder meer gericht op jonge vrouwen die omgang hadden gehad met Duitse soldaten. Bram Dees zag hoe de situatie dreigde te escaleren en wist de gemoederen te bedaren, waarmee hij waarschijnlijk levens heeft gered. Bram Dees was waarnemend hoofd van de OrdeDienst (OD).

Uit een dagboek van een schoonzus blijkt dat Bram Dees in september 1944 ook een Poolse deserteur van het Duitse leger onderdak bood. Op desertie stond de doodstraf. Terwijl Zaamslag elk moment bevrijd kon worden, nam Bram Dees hiermee een groot persoonlijk risico. Was dit ontdekt, dan had hij dit waarschijnlijk niet overleefd.

Na de bevrijding werd Zeeuws-Vlaanderen bestuurd door het Militair Gezag. In maart 1945 sprak koningin Wilhelmina tijdens haar bezoek aan Zaamslag haar waardering uit voor het verzet, dat zij aanduidde als de ‘ware adel’. Bram Dees was daarbij aanwezig. Hij ontving geen onderscheiding en had daar ook geen behoefte aan; hij zag zijn inzet tijdens de oorlog als zijn burgerplicht. Hij hervatte zijn leven als ondernemer, echtgenoot en vader. In 1948 stond hij aan de wieg van de Zavo, werd meerdere malen grootvader en overleed op 8 mei 1966. Op zijn grafsteen staat: ‘Gods weg is volmaakt’.

[afbeelding 3: foto Bram Dees rond 1960]

[afbeelding 4: krantenbericht overlijden Bram Dees]